Home Archief 2010
Zoeken

Leesclub gaat van Start

De Ethica van Aristoteles bevat de eerste systematische uiteenzetting over ethiek in de westerse wijsbegeerte en heeft in de ontwikkeling hiervan een grote invloed (gehad).

 

 

 

 

 


 

De Consolatione Philosophiae, leesclub 2010-2011

De Ethica van Aristoteles bevat de eerste systematische uiteenzetting over ethiek in de westerse wijsbegeerte en heeft in de ontwikkeling hiervan een grote invloed (gehad). De Filosoof onderzoekt in dit meesterwerk het menselijke geluk en de gepaste middelen om dit te bereiken. Volgens Aristoteles is geluk namelijk het hoogste goed waar de mens naar streeft en zin geeft aan al zijn activiteiten. Gelukkig is hij die voortreffelijk handelt in overeenstemming met de aard en essentie van het mens-zijn. Als redelijk wezen ligt de volledige ontplooiing van de mens in de ontwikkeling van zijn intellectuele vermogen. Dit is echter niet voldoende. Het is van belang ook het karakter te vormen zodat de mens in staat is in de praktijk deugdzaam te leven en de gulden middenweg te bewandelen. Alleen dan bereikt de mens volgens de Filosoof het geslaagde leven.

De deelnemer verwerft een grondige kennis van de Aristotelische geluksethiek. In een zevental interactieve sessies zal de hele Ethica worden behandeld. Voor iedere sessie leest de deelnemer één a twee hoofdstukken. Tijdens de sessies wordt de betreffende passages besproken. Elke sessie wordt (be)geleid door een moderator, die zorgt voor de nodige diepgang en perspectief door de aangedragen denkbeelden te vergelijken met andere filosofen en huidige ideeën over het goede leven. Moderatoren zijn onder andere Prof. J. Bons, Bart Fleuren en Eli Stok. De leesgroep wordt afgesloten met een essay met de mogelijkheid dat te presenteren tijdens het themaweekend in februari 2011 in Conferentieoord Zonnewende.

Gebruikt boek:

Pannier, C. en Verhaeghe, J., Aristoteles: Ethica Nicomachea. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien. Groningen: Historische Uitgeverij, 1999.

 

Sessie Onderwerp Stof Moderator
1. Geluksethiek Inleiding en Hoofdstuk 1 Eli Stok

 


De sessies vinden plaats in Leidenhoven College aan de Roemer Visscherstraat 46 in Amsterdam.
Datum eerste sessie : donderdag 16 sept.
Aanvangstijd : 19.30 uur.
Bijdrage (alle sessies) : € 30

Voor meer informatie neem contact op. Graag tevoren aanmelden bij:

Martijn Pouw
Roemer Visscherstraat 46
1054 EZ Amsterdam
020 6165846

 

22/07/10: De Regeneratieve Kracht van de Vriendschap: Lezing Eli Stok

in H. Augustinus en Wordsworth
een lezing gegeven door Eli Stok
aan de inwoners van studentenhuis Leidenhoven
op 17 april 2010

 

 

A long time had passed since I was nineteen, the age at which I had first begun to search in earnest for truth and wisdom and had promised myself that, once I had found them, I would give up all the vain hopes and mad delusions which sustained my futile ambitions. I realized that I was now thirty years old and was still floundering in the same quagmire, because I was greedy to enjoy what the world had to offer, though it only eluded me and wasted my strength. And all the time I had been telling myself one tale after another.

‘Tomorrow I shall discover the truth. I shall see it quite plainly, and it will be mine to keep. . .

‘Faustus will come and explain everything. . . .

‘The Academics! What wonderful men they are! Is it true that we can never know for certain how we ought to manage our lives . . .?

‘No, not that! We must search all the more carefully and never despair. I can see now that the passages in Scripture which I used to think absurd are not absurd at all. They can be understood in another sense, quite fairly. I shall fix my foot firmly on the step where my parents set me as a boy, until I find the manifest truth. But where and when am I to look for it? Ambrose has no time to spare and I have no time for reading. Where am I to look for the books I need? Where and when can I buy them or get someone to lend them to me? I must plan my time and arrange my day for the good of my soul. . . .’

(Conf. VI.11)

 

Dit gaat nog een tijdje door.

En terecht. Want Augustinus heeft ingezien dat dit al een hele tijd aan de gang is, al meer dan elf jaar. Hij heeft dromen gehad over een belangrijke carrière als leraar in de welsprekendheid. Hij heeft verlangd naar de wijsheid, sinds het lezen van Cicero’s Hortensius. Hij heeft geleefd als sympathisant met het manicheïsme en zogenaamd geestelijk voedsel gebracht aan de manicheese heiligen, die hun vleselijke god kokhalzend uit de vijgen bevrijdden. Hij heeft astrologie gestudeerd en mensen de toekomst voorspeld. En nu de grond hem onder zijn voeten vandaan is geslagen, de meningen zijn ontmaskerd als meningen en geen ware kennis, nu twijfelt hij.

Wie kan hij vertrouwen? Hij begint zich aangetrokken te voelen tot de geleerden – o magni viri academici! De geleerden hebben in al de eeuwen tussen Augustinus en onze Benedictus weinig progressie gemaakt: ook toen al geloofden ze dat alles twijfelachtig was en dat de mens niets zeker kon weten. (V.10) Augustinus denkt dat ze best wel eens gelijk zouden kunnen hebben. Zeker weet hij het natuurlijk niet.

Hij is wel gegrepen door Ambrosius. Die man is een boeiend spreker! En Augustinus is geïnteresseerd in de welsprekendheid: hij schept behagen in mooie woorden. Langzaam begint hij open te staan voor de betekenis achter de retorica, de waarheid achter de schoonheid. In het bijzijn van Ambrosius voelt Augustinus dat er een sluier wordt opgelicht. Toch blijft hij een academicus. Hij heeft zijn hoop verloren, zijn hoop en het vuur van zijn liefde. Hij hangt los van de grond, en de enige zekerheid die hij nog heeft is onpersoonlijk: “I wanted to be just as certain of the things which were hidden from my sight as that seven and three make ten, for I was not so far out of my wits as to suppose that not even this could be known. But I wanted to be equally sure about everything else” (VI.4).

 

Laten we zeilen over de zeeën van tijd tussen Augustinus en onze Benedictus. In die zeeën verzinkt het Romeinse Rijk; Harold Godwinson zinkt in de Normandische invasie van Willem de Veroveraar; de Franse ridders bij Agincourt zinken weg in de modder; Jeanne d’Arc zinkt neer in een Engelse kerker; het ancien régime zinkt in een zee van bloed; en een eenzame Engelsman is zinkende in dezelfde zee van wanhoop waarin ook Augustinus naar adem snakt.

William Wordsworth heeft de Franse Revolutie met enthousiasme begroet. Hij voelt, net zoals vele van zijn tijdgenoten, dat dit iets nieuws is, een frisse wind die door Europa waait. De hele schepping lijkt gereed om een nieuw koninkrijk van vrijheid, rechtvaardigheid en liefde te baren: “every bush and tree, the country through, / Is shaking to the roots” (IX.90-91). Hij heeft hoop, hoop en liefde voor de mensheid, nu nog verdrukt en in verwachting, maar spoedig vrij en onverschrokken. Wat Frankrijk aan het opbouwen is, lijkt te reiken tot de Hemel.

Dan komt het schrikbewind, de angst, de onenigheid. De Republiek wordt vervangen door de Staat. De gevangenissen worden aangevallen en uitgemoord. Wordsworth keert terug naar Parijs, vol hoop, en ziet het ene lijk na het andere. Het land van de onverschrokken burgerij – “at the best it seemed a place of fear, / Unfit for the repose of night, / Defenceless as a wood where tigers roam.” (X.80-82)

Het fundament valt weg onder de Franse bodem, en mensen raken verdeeld in hun hoop, verdeeld in hun liefde. De ene wil dit, de ander wil dat, en er is niet meer eenheid dan er was onder het ancien régime. Het Franse bouwwerk blijkt een toren van Babel, en bijna bidt Wordsworth om een omkeer, een bekering, een nieuw Pinksteren. Bijna bidt hij dat “The gift of tongues might fall, and men arrive / From the four quarters of the winds to do / For France what without help she could not do” (X.121-123).

Maar er komt geen hulp van de vier windstreken, geen vroedvrouw om Frankrijk in barensnood te helpen. Eerder het tegenovergestelde. Als Wordsworth is teruggekeerd naar Engeland, blut, hakt het parlement de knoop door en hijst de zeilen. Engeland verklaart de oorlog aan Frankrijk. “The strength of Britain was put forth / In league with the confederated Host” (X.229-230). In alliantie met de conservatieve machten van het Continent trekken de Britten op – het wantrouwen tegen de hoop, het vlees tegen de geest, de natuurlijke mens tegen “regenerated France” (X.244).

Zo ziet Wordsworth het tenminste, net als veel jonge Engelsen. Het is zijn eigen innerlijke revolutie, een totale omwenteling. “No shock / Given to my moral nature had I known / Down to this very moment” (X.233-235).

Alles is in verwarring. Verwarring heerst in Wordsworth. “It was a grief, / Grief call it not, ’twas anything but that, / A conflict of sensations without name” (X.263-265). Hij zit in een Engels kerkje, hoort het gebed en de lofprijzing tot de Heer om de overwinning van het vaderland, zwijgt, en verlangt bitter naar de dag van het oordeel, de dag der wrake. Verwarring heerst ook in Frankrijk. Ja, sommige Fransen scheppen een zelfzuchtige vreugde in de Engelse oorlogsverklaring.

 

In France, the men who for their desperate ends

Had plucked up mercy by the roots were glad

Of this new enemy. Tyrants, strong before

In devilish pleas were ten times stronger now,

And thus beset with Foes on every side

The goaded Land waxed mad; the crimes of few

Spread into madness of the many; blasts

From hell came sanctified like airs from heaven . . .

(Prel. X.307-314)

 

Er is geen eenheid van hoop, geen eenheid van liefde – geen vriendschap. Engelsen haten hun landgenoten vanwege hun haat tegen de Fransen, maar sommige Fransen houden van de Engelsen om precies dezelfde reden. Zoals Augustinus zegt over de vrienden met wie hij de peren steelt: “This was friendship of a most unfriendly sort, bewitching the mind in an inexplicable way.” (II.9) Wordsworth heeft een vergelijkbare reactie op de verwarring van valse vriendschap: “This threw me first out of the pale of love” (X.760), zegt hij. Macht, toorn en wet hebben de plaats van liefde ingenomen.

Zijn jeugdige gevoelens zijn dood, verstorven. Hij zoekt hoop ergens anders, in de radicale filosofie van Godwin, die de hoop wil losmaken van het gevoel en richten op “the human Reason’s naked self” (X.817), het onafhankelijke intellect (X.829).

Maar kan het intellect onafhankelijk zijn van de waarheid? Kan de menselijke rede worden gescheiden van de menselijke natuur, het verlangen, de liefde? En wat gebeurt er als de rede de rede aanvalt en zegt: ‘Bewijs jezelf’? Wat voor hoop is er zonder vertrouwen? De rede draait rond in cirkels, en Wordsworth wanhoopt en twijfelt:

 

…now believing,

Now disbelieving, endlessly perplexed

With impulse, motive, right and wrong, the ground

Of moral obligation, what the rule

And what the sanction, till, demanding proof,

And seeking it in everything, I lost

All feeling of conviction, and, in fine,

Sick, wearied out with contrarieties,

Yielded up moral questions in despair,

And for my future studies, as the sole

Employment of the inquiring faculty,

Turned towards mathematics, and their clear

And solid evidence . . . (X.892-904)

 

Hadden we Augustinus hier ook niet achtergelaten? Temidden van de geleerden, onzeker of iemand ooit kon weten hoe hij zijn leven moest ordenen – wat wil zeggen: hoe hij zijn liefdes moest ordenen – en druk bezig met wiskunde. Het lijkt alsof deze onpersoonlijke, liefdeloze zekerheid het enige is wat binnen het bereik van de menselijke rede ligt; liefde is tijdelijk, verward, onbetrouwbaar, aards.

Wat doet Augustinus met deze redeneringen? Hij gaat ermee naar zijn vrienden, Alypius en Nebridius. Met hen discussieert hij; hij zegt dat plezier ons gelukkig maakt en pijn ongelukkig. Maar hij schenkt geen aandacht aan zijn eigen ervaring; hij merkt niet op dat zijn vrienden hem geluk brengen. “I never wondered what was the source of my pleasure in discussing these topics, shameful as they were, with my friends, nor did I ask myself why, however great my indulgence in sensual pleasure, I could not find happiness, even in the sense in which I then conceived it, unless I had these friends. And yet I certainly loved them for their own sakes, and I felt that they loved me for my sake in return.” (VI.16)

Wordsworth heeft dezelfde ervaring met Coleridge en zijn zus Dorothea:

 

. . . Thou, most precious friend! about this time

First known to me, didst lend a living help

To regulate my Soul, and then it was

That the belovèd Woman in whose sight

Those days were passed . . .

Maintained for me a saving intercourse

With my true self . . .

Revived the feelings of my earlier life,

Gave me that strength and knowledge full of peace,

Enlarged, and never more to be disturbed . . .

(Prel. X.905-909, 914-915, 924-926)

 

“A saving intercourse / With my true self”. Echte vrienden houden van je omwille van jezelf, zoals je ook van jezelf houdt, hoe groot je verwarring ook mag zijn. Door liefde en vriendschap komt Wordsworth zijn wanhoop en twijfel te boven.

Maar bij Augustinus ligt het dieper. Bij hem is het niet een aardse vriend die hem redt van verdrinking in de zee van geestelijke doodsheid. Het is een hemelse Vriend, die tot hem spreekt door de boeken van de Platonisten: “These books served to remind me to return to my own self. Under your guidance I entered into the depths of my soul, and this I was able to do because your aid befriended me.” (VII.10) Deze Vriend is Waarheid en Liefde in eigen persoon, “Eternal Truth, true Love, beloved Eternity” (VII.10).

Zijn aanwezigheid wordt duidelijk gemaakt door vele andere vrienden, die op verschillende manieren Augustinus dichter bij God brengen. We mogen hier ook Augustinus’ moeder, H. Monica, niet vergeten, met haar onophoudelijke liefde, gebed en voorbeeld. Het is niet vreemd om haar een vriend van Augustinus te noemen, want Augustinus zelf noemt zijn ouders broeder en zuster: “my brother and sister, subject to you, our Father, in our Catholic mother the Church, who will be my fellow citizens in the eternal Jerusalem for which your people sigh during their pilgrimage, from the time when they set out until the time when they return to you” (IX.13). In deze bovennatuurlijke orde kan de ene vriend de ander helpen, zonder dat hij aanwezig is bij zijn vriend – omdat alle regeneratieve kracht uiteindelijk bij God vandaan komt, die geeft waar hij wil.

Vriendschap is daarom een breed begrip in Augustinus. Hij spreekt over de fraternus animus, de broederlijke geest, die aanwezig is in allen die de Liefde samenbindt. Als deze geest in zijn lezers aanwezig is, zullen zij samen met hem God danken voor Zijn genade en bidden voor verdere genezing, voor verdere regeneratie. Zij laten zien hoe een mens, zelfs een wanhopig mens, altijd wordt liefgehad: “my true brothers are those who rejoice for me in their hearts when they find good in me, and grieve for me when they find sin. They are my true brothers, because whether they see good in me or evil, they love me still. To such as these I shall reveal what I am.” (X.4)

Indicabo me talibus – ik zal mezelf aan zulken laten zien, of: ik zal mezelf voor zulken beschuldigen. Belijdenis kan alleen plaatsvinden in een relatie, en ik moet belijden wie ik ben – “my true self”, “my own self” – om de geheime wanhoop van liefdeloosheid te boven te komen.

Maar hoe leren we dat? Is het niet door vrienden? In Milaan wordt Augustinus, die nog steeds met zijn innerlijke verdeeldheid worstelt, bezocht door een vriend, Ponticianus. Die vertelt hem het verhaal van H. Antonius, de Egyptische monnik. Hij vertelt ook dat twee van zijn eigen vrienden over Antonius’ leven lazen en bewogen werden om onmiddellijk de dienst van het rijk te verlaten en God te dienen. Waar kon hij in de wereld op hopen? Waar zocht hij naar? Een hoge positie aan het hof? Een vriend te zijn van de keizer? Zo’n vriendschap is moeilijk te bereiken en altijd in gevaar. “But if I wish, I can become the friend of God at this very moment” (VIII.6), riep die vriend uit. Ponticianus was onder de indruk: tot tranen bewogen vroeg hij om gebed. En Augustinus? Augustinus heeft het gevoel alsof hij wordt omgedraaid om zichzelf aan te kijken. “You were setting me before my own eyes so that I could see how sordid I was, how deformed and squalid, how tainted with ulcers and sores. I saw it all and stood aghast, but there was no place where I could escape from myself. If I tried to turn my eyes away they fell on Ponticianus, still telling his tale, and in this way you brought me face to face with myself once more, forcing me upon my own sight so that I should see my wickedness and loathe it.” (VIII.7)

Dat is niet het einde; het is het begin. De belijdenis van eigen zwakheid vloeit uit in de lofprijzing van de goede Vriend, waarin wij geluk vinden. Augustinus wil ons meenemen in deze vriendschap, en daarom laat hij zichzelf zien en beschuldigt hij zichzelf voor ons: “when others read of these past sins of mine, or hear about them, their hearts are stirred so that they no longer lie listless in despair, crying ‘I cannot’. Instead their hearts are roused by the love of your mercy and the joy of your grace, by which each of us, weak though he be, is made strong, since by it he is made conscious of his own weakness.” (X.3)

Hun harten worden opgewekt: dit is tegengesteld aan de wanhoop, maar ook aan zelfgenoegzaamheid. Augustinus weet dat zijn genezing nog lang niet volmaakt is, en altijd afhankelijk blijft van de onderhouding van God. “I do not feel as though I do not suffer wounds, but rather that you heal them over and over again.” (X.39)

Wordsworth komt helaas nooit tot deze belijdenis; hij is een illustratie van wat Augustinus schrijft over zelfgenoegzaamheid: “the vanity of those who are pleased with themselves, although they either fail to please others or have no wish to do so and even actively displease them.” (X.39) Zo richt Wordsworth zich aan het begin van de Prelude niet tot een vriend die bezield wordt door de rationele, verblijde en bedroefde fraternus animus, maar tot iemand die onvoorwaardelijke sympathie schenkt en nooit veroordeelt – als een academicus: “should neither I be taught / To understand myself, nor thou to know / With better knowledge how the heart was framed / Of him thou knowest, need I dread from thee / Harsh judgments…?” (I.654-658)

Het thema van de Prelude is dat de mens vanuit zijn geheugen de kracht kan halen om te leven: “There are in our existence spots of time / Which with distinct pre-eminence retain / A renovating virtue” (XI.258-260). Het geheugen herinnert zich het gevoel dat ik geen slaaf ben van mijn zintuigen, maar dat mijn wil gehoorzaam is aan de liefde.

“This I feel,” schrijft Wordsworth, “That from thyself it is that thou must give, / Else never canst receive.” (XI.332-334) De grootste gaven van het leven, “Imagination” en “intellectual love” (XIII.185-186), worden door de mens aan zichzelf gegeven. “Here thou must be, O Man! / Strength to thyself; no Helper hast thou here” (XIII.188-189). Pas dan kan de mens genieten van vriendschap.

“Though they were pleasing to themselves,” schrijft Augustinus, “they are gravely displeasing to you, because they congratulate themselves not only upon qualities which are not good, as though they were good, but also upon good qualities received from you, as though they were their own gifts to themselves” (X.39). Dit is toepasbaar op Wordsworth, die zichzelf ziet als uitverkoren dichter, “A sensitive, and a creative soul” (XI.257), die nooit vanuit onedele motieven heeft gehandeld.

We weten dat hij schuldgevoelens had over zijn rol in de Franse Revolutie (hij schrijft zelf in de Prelude over Kafka-esque dromen, waarin hij zichzelf moet verdedigen tegen onrechtvaardige tribunalen), en we weten van de minnares en dochter die hij daar achterliet – die hij achterwege laat in de Prelude. In plaats daarvan schrijft hij een liefdesverhaal over Julia en Vaudracour. Vaudracour wordt van Julia gescheiden en laat per ongeluk hun kind sterven. Hij trekt zich terug, vermijdt alle gezelschap, en verzinkt in wanhoop:

 

Thus lived the Youth

Cut off from all intelligence with Man,

And shunning even the light of common day,

Nor could the voice of Freedom, which through France

Soon afterwards resounded, public hope,

Or personal memory of his own deep wrongs,

Rouze him; but in those solitary shades

His days he wasted, an imbecile mind.

(Prel. IX.928-935)

 

Wordsworths eigen ervaring vertelt hem dat een mens in complete wanhoop zichzelf niet kan redden. Wie moet Vaudracour terugbrengen tot zichzelf en hem de uitweg laten zien? Hijzelf? Faustus? Ambrosius? Hij is in dezelfde impasse als Augustinus vlak voor zijn bekering: “My soul remained silent and afraid, for as much as the loss of life itself it feared the stanching of the flow of habit, by which it was wasting away to death.” (VIII.7)

Maar, God zij dank, Augustinus had een Vriend die hem niet in de steek liet, tegen wie hij dankbaar belijdt: “You called me; you cried aloud to me; you broke my barrier of deafness. You shone upon me; your radiance enveloped me; you put my blindness to flight. You shed your fragrance about me; I drew breath and now I gasp for your sweet odour. I tasted you, and now I hunger and thirst for you. You touched me, and I am inflamed with love of your peace.” (X.27)

 


 

12/06/10: Management and Entrepreneurship Club

Program: Saturday, 5 Jun 2010 at 11 am

 

11.00 - 11.15

Coffee

11.15 -12.00

Little Things in a Job Well Done, Especially in Acquistions Operations, Mark Dotinga

12.15 - 13.00

Introductory talk, Competitive Advantage and Blue Ocean Strategy, Felipe Arancibia

13.00 - 13.30

Lunch

 

Speakers:

Mark Dotinga did a masters of economics in Groningen. During his studies, he did internships at ING and Lehman Brothers in London. In 2005, Mark started his career in the Mergers and Acquisitions Consumer team of Lehman Brothers in London, primarily focusing on the food and beverages sector. Since March 2008, he is working at Heineken International in Group Business Development, a group which focuses on beer acquisitions within Heineken.

 

Felipe Arancibia, Economist with a Certificates Financial Management Achievement and Alumni of Kellogg School of Management, Northwestern University, US. He has been member of the Professional Pricing Society since 2008 and former member of the American Management Association. He has been working for the last ten years in Finance, Business Development and Revenue Management. Also he was a Part – time Professor of Evaluation a New Business and Introduction of Finance at the Chilean University.

 

At present, he is working at Heineken International as Finance Manager.

 

Note: In order to prepare for the first, introductory session of the Management and Entrepreneurship Academy, please review and think about the following concepts:

  1. Strategy:
  2. Value Creation Proposition: how the firm creates benefits for consumer above and beyond the cost of production. The firm must have a unique and defensible value creation proposition
  3. Core Competencies: to be successful, firms have to do something well
  4. Value creation: more than its rivals
 

05/06/10: Geboorte van de Universiteit

 

29/04/10: Boekpresentatie Thierry Baudet


Op donderdag 29 april om 19.30 uur presenteert Thierry Baudet in Leidenhoven het boek Conservatieve vooruitgang; de grootste denkers van de twintigste eeuw. Samen met Michiel Visser voerde hij de redactie van het boek.Het boek bevat twintig portretten van de belangrijkste moderne conservatieven, van Ludwig Wittgenstein en C.S. Lewis tot Johan Huizinga en Leo Strauss. Er zijn bijdragen in te vinden van onder meer Roger Scruton, Bart Jan Spruyt, Theodore Dalrymple, Emma Cohen de Lara, Andreas Kinneging en Arjo Klamer.

Na de presentatie vangt men de koninginnenacht aan.

 

11/04/10: Bronnen van de klassieke traditie: Lezing Prof. dr Bons

“Great Books” en hun herkomst

Lezing door Prof. dr J.A.E. Bons in Studentenhuis Leidenhoven op 24 maart 2010.
Dit was de tweede voordracht van de lezingencyclus: De idee Europa. Wortels, stam en vertakkingen van een cultuurideaal

 

Hebben we het over de “great books” dan valt meteen de sterke vertegenwoordiging op van werken uit de klassieke oudheid. Men kan zich afvragen hoe het mogelijk is dat deze werken tot op de dag van vandaag nog steeds te lezen zijn. Hoewel van alle oorspronkelijke werken uit de oudheid naar schatting amper 10 procent bewaard is gebleven, is het niettemin een klein wonder te noemen dat ons nog zo’n belangrijk aandeel ter beschikking staat. Tijdens deze bijeenkomst wil ik een licht werpen op de geschiedenis van deze overlevering en hoe het is gekomen dat hetgeen is overgeleverd over het algemeen juist die werken zijn die door de Grieken het meest gewaardeerd werden.

Afbeelding 1

De auteur die in de oudheid zonder enige twijfel het meest gelezen en geprezen werd is Homerus. Daarvan getuigd bijvoorbeeld het beeld van Archelaos (2e of 1e eeuw v.Chr.) waarin de apotheosis, ofwel de vergoddelijking van Homerus wordt afgebeeld. (afbeelding 1) We zien op dit beeld Homerus rechtsonder zittend afgebeeld met een grote scepter in zijn linkerhand, net als de oppergod Zeus (geheel bovenaan) met een grote scepter, zittend; de gelijkenis is niet toevallig: Homerus werd door de latere Grieken van de Hellenistische periode tot de goden gerekend. De interpretatie van het geheel is duidelijk; Homerus is de bron van alle kennis, van alle wetenschappen, en tevens het begin van alle literatuur en grote inspiratiebron voor alle volgende literatuur; een tekst waarmee je de volwassenheid kunt bereiken, ook de geestelijke volwassenheid. Wat hier dus wordt afgebeeld is het idee van de “great books”; Homerus is de bron van vorming en opvoeding, wat gepaard gaat met kennisneming van de traditie.

Op afbeelding 2 is te zien hoe de tekst van Homerus aan ons is overgeleverd. We kijken nu naar (misschien wel) het beroemdste manuscript dat we hebben van Homerus: de zogenaamde codex venetis A (oorspronkelijk uit een bibliotheek van Venetië). De vetgeschreven letters zijn de daadwerkelijke tekst; dit fragment geeft de eerste pagina van de Ilias weer. Wat onmiddellijk opvalt is dat er nog veel meer staat geschreven; om de tekst heen, tussen de regels door, in de kantlijn, tekentjes in de marge, enzovoorts. Dit manuscript is het resultaat van een eeuwenoude traditie van Homerus-uitgaven, die teruggaan tot de Alexandrijnse periode. (va. ~380 v.Chr.) De tekst van Homerus was dermate belangrijk dat deze niet alleen op alle niveaus van het onderwijs gebruikt werd, maar ook voor de wetenschappen. In de bibliotheek van Alexandrië kwamen allerlei handschriften van Homerus samen en de verschillende manuscripten bleken niet altijd met elkaar in overeenstemming te zijn. De vraag was vanaf die tijd: ‘hoe zag de oorspronkelijke tekst van Homerus er uit?’ Deze vraag heeft geleid tot het ontstaan van een enorme wetenschap; er ontstond een lange traditie van Homerusgeleerden door de oudheid heen, die allemaal op punten van mening verschilden over hoe de verschillende manuscripten geïnterpreteerd moesten worden. Men ging kleine opmerkingen maken bij de tekst; de verschillen met andere handschriften vergelijken; interpretaties voor de verschillen aandragen, en elke geleerde gaf weer commentaar op het commentaar van zijn voorganger, enzovoort. Zo ontstaat er dus een soort verwijzingssysteem, een complex aan kanttekeningen, welke uiteindelijk dus nog veel groter zou worden dan de oorspronkelijke tekst zélf. Uit die opmerkingen zijn we enorm veel te weten gekomen over de vorm van het hoger onderwijs in de oudheid, omdat men deze annotaties in zekere zin als het resultaat daarvan kan zien.

Waarom is dit zo ingewikkeld geworden met Homerus in de oudheid? Onder andere: De schriftdrager, papyrus, een plantaardige schriftdrager; het werd gemaakt van de stengels van de papyrusplant. Papyrus groeide in Egypte, en ook alleen in Egypte. Een aantal in lange repen gesneden papyrusstengels werden als een weefwerk op elkaar gelegd, en terwijl ze nog nat waren samengedrukt. Het kleverige plantensap fungeerde als bindmiddel. Papyrusvellen werden gebruikt om op te schrijven en de tekst werd bewaard als boekrol. Later werd het gebruikelijk om vellen van de rollen te snijden en samen te voegen - hier komt de moderne boekvorm, codex genaamd, uit voort. In een droog klimaat zoals dat van Egypte is papyrus goed te bewaren. In een klimaat met een hoge luchtvochtigheid, zoals het natte Europa, gaat het schimmelen, waardoor hier bijna alle papyrus uit vroegere tijden is vergaan. Ook in de oudheid betekende deze vergankelijkheid van de papyrusrollen dat de teksten ongeveer elke twintig jaar herschreven moesten worden, wat verklaart hoe er uiteindelijk zoveel verschillende versies ontstonden die telkens licht afweken van de originele tekst. Deze verschillen werden in de loop der eeuwen op deze manier telkens groter en er ontstonden tenslotte verschillende interpretaties van hoe de oorspronkelijke tekst er uit heeft moeten zien.

In Alexandrië bestond sinds ongeveer 380 v.Chr. een grote bibliotheek die men wel de eerste professionele bibliotheek uit de oudheid kan noemen. Hiermee werd Alexandrië een waar centrum van wetenschap. Ook astronomische, geografische, historische en wiskundige werken boeken werden er verzameld. Helaas is van deze bibliotheek helemaal niets meer over. Toch heeft zij een zeer belangrijke rol gespeeld voor de overlevering en ordening van de toen bestaande literatuur en diende ze lange tijd als voorbeeld voor de bouw van nieuwe bibliotheken.

Er werd in Alexandrië een begin gemaakt met het ordenen van alle bekende boeken. Deze werden niet alfabetisch ingedeeld, maar in genres. Per genre werden de belangrijkste auteurs aangewezen, en van elke auteur diens belangrijkste werken. Deze belangrijkste auteurs zijn ook de school-auteurs geworden. Dat heeft betekend dat juist deze auteurs, en juist deze werken, steeds zijn overgeschreven. De Alexandrijnse bibliotheek is de eerste ‘flessenhals’ waardoor alle werken in de oudheid gegaan zijn, en dat heeft de selectie van “great books” in hoge mate bepaald. Belangrijk is dat men in de oudheid dus al een duidelijk onderscheid maakte tussen werken van de eerste en tweede orde. Zo was er een genre van de ‘avonturenroman’, dat vergeleken kan worden met tegenwoordige lectuur, met steeds een variatie op een zelfde thema, met piraten, avonturen, omzwervingen; doch telkens over twee geliefden die elkaar trouw bleven ondanks vele beproevingen. Dit genre werd door de Alexandrijnse censoren duidelijk tot een lagere orde gerekend. Dat men in de oudheid al een begin heeft gemaakt met literatuurkritiek wordt ook duidelijk als we denken aan traktaten zoals bijvoorbeeld Aristoteles’ Poëtica en Longinus’ Over het sublieme.

Een tweede ‘flessenhals’ waardoor de overleveringen uit de oudheid passeerden en die de inhoud en omvang van de “great books” heeft bepaald kwam te ontstaan met de vorming van de christelijke kerk. Voor de vroege christelijke geleerden was het aanvankelijk een groot twistpunt wat men met de overgeleverde pagane traditie moest aanvangen. Er waren zelfs radicale voorstellen om al deze boeken te verbranden. Uiteindelijk is men tot de overeenstemming gekomen de boeken te bewaren. Vanaf dat moment werd de pagane traditie beschouwd als een noodzakelijke voorbereiding voor een juist begrip van de openbaring, omdat Christus volgens deze zienswijze uit de pagane traditie is voortgekomen, en er dus geen sprake kan zijn van een radicale breuk. Voor de verdere geschiedenis van het Christendom en de hele westerse beschaving is dit besluit van een onschatbare waarde geweest, zoals onder meer in de Renaissance zal blijken, waar de herontdekking van het klassieke gedachtegoed een nieuwe impuls tot wetenschap zal geven en in belangrijke mate de verdere ontwikkeling van de Europese cultuur zal gaan bepalen.

Overigens werden niet alle werken uit het pagane verleden door de Christelijke geleerden waardig bevonden ter overlevering; een groot deel van met name lyrische poëzie werd vanaf die tijd niet meer gekopieerd. Wat ons daarvan nu bekend is, zijn reconstructies op basis van fragmenten uit archeologische vondsten.

Een aantal vroegchristelijke geleerden stelde zich tot taak de klassieke werken van de pagane traditie over te schrijven en ter behoud veilig te stellen. Een heel belangrijke pionier op dat gebied was de monnik Cassiodorus (485-585), die het klooster Vivarium oprichtte na zijn pensioen als Romeins staatsman. Hier wijdde hij zich aan een studie van zowel Christelijke als pagane teksten. Met name de Benedictijnse monniken diende hij hiermee als voorbeeld en de traditie om teksten uit de klassieke oudheid te verzamelen en te kopiëren werden door hen de komende eeuwen voortgezet. De Benedictijnen zijn uiteindelijk misschien wel de belangrijkste redders geweest van de pagane auteurs. Niet zozeer omdat ze deze teksten daadwerkelijk bestudeerden (enkelen waren de Griekse taal niet eens machtig), maar wel omdat zij het als hun plicht beschouwden, ter ere van God, om die pagane traditie, voorzover nog beschikbaar, door te geven. Aldus werden die teksten in de Benedictijnse kloosters ook telkens gekopieerd, en wel met de hand.

Ten tijde van de renaissance ontstond er opnieuw belangstelling voor de werken uit de Oudheid. De bewondering en navolging van de antieke cultuur is wellicht het meest in het oog springende kenmerk van deze periode. Voor de Humanisten uit de vijftiende eeuw bezaten de overgeleverde werken uit de Oudheid een intrinsieke waarde die een serieuze studie rechtvaardigde. De Oudheid werd nu bestudeerd omwille van de Oudheid zélf. De Humanisten verzamelden zoveel mogelijk werken uit de kloosters en zagen zich als ‘redders’ van de antieke traditie. De belangstelling voor de Oudheid gaat er ook toe leiden dat men de materiële resten van de Oudheid gaat opzoeken. Want tot die tijd lagen die overal, onder de grond, en werd er geen aandacht aan gegeven. Sterker nog, het Colloseum bijvoorbeeld werd zo nu en dan zelfs als steengroeve gebruikt.

Dankzij de middeleeuwse bibliotheken, en vervolgens dankzij de humanistische nieuwsgierigheid, bereiken we uiteindelijk het punt dat de antieke teksten definitief ‘gered’ zijn met de komst van de boekdrukkunst. Werden deze teksten tot dan toe altijd in handgeschreven vorm doorgegeven, vanaf omstreeks 1440 verschenen de eerste gedrukte edities. Al snel werd de verspreiding van de “great books” uit de Oudheid zo wijdverbreid dat het gevaar van hun voortbestaan voorgoed tot het verleden behoorde.

 

29/03/10: De Staat van Plato

De volgende en laatste sessie van de leesclub over de Politeia van Plato is op donderdag 22 april om 19.30 uur.

Bas van Bommel, pianist en classicus, zal boek X inleiden. In dit boek komt Socrates -die Homerus en de dichters reeds lang uit zijn stad heeft verbannen- terug op twee onderwerpen die iedere mens aangaan: kunst en het lot van de ziel na de dood. Slechte imiterende kunst maakt datgene wat de onwetende massa mooi vindt. Het groottste bezwaar van Socrates tegen de dichtkunst is haar vermogen om ook goedgeaarde mensen ongunstig te beïnvloeden. Socrates vertelt hoe het lot en onze eigen keuzes ons leven bepalen.

 

16/03/10: Eerste themamiddag

Komende zaterdag 17 april vindt de eerste Themamiddag over de christelijke caritas plaats in Leidenhoven.

 

 

Er was veel behoefte aan een vervolg op het themaweekend in Zonnewende. Een aantal van jullie heeft ook het geluk gehad de Goede week in Rome te mogen vieren en aan het UNIV-congres Can Christianity Inspire a Global Culture? deel te nemen. Prof. dr J.A.E. Bons, die daar over Friendship, Caritas, and Christian Culture gesproken heeft, zal ons zaterdag enkele impressies uit de dagen in Rome geven. Hieronder volgt het programma:

11.00-11.15

Welkom door Prof. dr J.A.E. Bons: Het UNIV-congres in Rome

11.15-11.45

Koffie

11.45-12.30

Inleiding door Eli Stok : De regeneratieve kracht van vriendschap. Aurelius Augustinus en William Wordsworth

12.30-13.00

Vrije tijd

13.00-13.30

Middageten

13.30-14.00

Koffie en foto’s van UNIV

14.00-15.00

Discussie

15.00

Einde

 

Vanaf 15.00 is er gelegenheid om te voetballen of te studeren.

 

14/03/10: Het ontstaan van Europa als cultuurideaal

Lezing door Prof. dr J.A.E. Bons in Leidenhoven op 24 februari 2010

door onze redactie

Het is half acht en er worden in de nieuw ingerichte zitkamer van Leidenhoven stoelen geschoven voor een paar extra gasten. Vanavond is de aftrap van een lezingencyclus over een belangrijk thema: Europa als cultuurideaal en wat dat voor ons betekent.

Prof. dr J.A.E. Bons opent de lezing met een referentie naar een actueel onderwerp: verkiezingscampagnes. De behandeling van ‘Europa’ in de partijprogramma’s van verschillende partijen is bedroevend. ‘Europa’ lijkt ontleend aan een economische en politieke wil zonder vermelding van wortels of wijdere verlangens. Ook tijdens colleges constateert hij dat men het culturele erfgoed van Europa niet meer als bekend mag veronderstellen. Dit heeft hem een aantal jaar geleden ertoe gebracht materiaal te verzamelen rond dit thema, en daar is deze lezing uit voortgekomen.

In de preambule van de Europese grondwet wordt een tekst van Thucydides aangehaald, de rede van Pericles bij de begrafenis van de eerste Atheners die gesneuveld zijn in de oorlog met Sparta. (De volledige tekst is gelijktijdig met de publicatie van de constitutie door Bons in het Nederlands vertaald:Thucydides, De laatste eer. Pericles’ grafrede, Historische Uitgeverij, Groningen 2005). De aangehaalde tekst luidt: “Our system of government... is called a democracy because power is in the hands not of a minority but of the whole people.” Het belangrijkste van deze tekst is het deel dat in de preambule van de Europese grondwet is weggelaten: “Our system of government does not copy the institutions of our neighbours. It is more the case of our being a model to others, than of our imitating anyone else. Our constitution is called a democracy because power is in the hands not of a minority but of the whole people.” In de weggelaten zin wordt Athene als een voorbeeld voor anderen voorgesteld. Is dit zwijgen in wat de Europese constitutie moest worden een teken dat Europa haar zelfvertrouwen kwijt raakt?

Bons wil in deze reeks lezingen stilstaan bij Europa als cultuurideaal, en niet primair als politieke of geografische eenheid. Hij kondigt aan dat zijn aandacht geleidelijk naar de Latijnse traditie van West-Europa en naar Byzantium en het centraal-europese gebied zal verschuiven. Het woord cultuur is een agrarische term; als werkwoord geeft het een activiteit aan en het resultaat van deze activiteit. Europa als concept voor cultuur kan op twee manieren geïnterpreteerd worden: met betrekking tot het individu (iemands cultuur) of met betrekking tot de samenleving. Wellicht dat hoe minder men de eigen cultuur kent, hoe meer men geneigd is om steeds van culturen, in het meervoud, te spreken.

Het woord Europa schijnt een Semitische achtergrond te hebben, en betekent zoiets als “zonsondergang” of “Westen”. Daar is de term Avondland aan verwant. In de Griekse literatuur was Europa steeds een geografisch begrip. Hesiodos’ Theogonie (het ontstaan van de goden) uit de achtste eeuw is de oudste tekst waar we het woord tegenkomen. Europa verschijnt altijd in combinatie met het begrip Azië; kennelijk heeft het ontstaan van het begrip iets te maken met het verschil met Azië. Europa betekende voor de Grieken altijd Hellas (de Griekse wereld) en de bekende wereld ten Westen daarvan. De Griekse geschiedschrijver Herodotus noemt Europa in de context van de Griekse oorlog met Perzië. De Perzische sjah Xerxes legt hij dit woord in de mond, zoals men wellicht uit de film 300 nog weet (dit laatste noemt Bons uiteraard niet).

Hierbij moet opgemerkt worden dat Hellas geen politieke eenheid vormde, maar uit kleine onafhankelijke steden bestond. De eenheid lag in de Griekse taal, die drager is van een cultuur. De Grieken hebben de geweldige Perzische overmacht verslagen en ontlenen hieraan hun zelfvertrouwen. De zege schrijven zij aan hun hoge cultuur toe. Vanaf de vierde eeuw v.C. vinden we dan ook een uitgebreide formulering van deze cultuur in de literatuur, de kunsten en de filosofie. De oppositie met Azië blijft in de loop van de tijd bestaan maar men ziet dat eenheid en gemeenschappelijkheid tussen de Griekse staten belangrijk zijn: er is eenheid als er samenwerking tussen de onderdelen is; en dat is heel anders dan unificatie.

Helena was de mooiste vrouw van Griekenland, dochter van Zeus en Leda. Door toedoen van de godin Aphrodite wordt ze verliefd op de Trojaanse prins Paris, met wie zij wegvlucht van haar echtgenoot Menelaos. Dit gaf aanleiding tot de Trojaanse Oorlog, waarvan de Illias van Homerus ons verhaalt. In zijn lofrede op Helena zei Isocrates, de leraar in de welsprekendheid, dat Troye in Azië ligt en de Trojaanse Oorlog een voorafschaduwing is van de overwinning op de Perzen. In de oppositie met Azië en de overwinning op de Perzen hebben de Grieken zichzelf ontdekt.

Twee verdere contrasten zijn van belang voor een goed begrip van het concept Europa. Het eerste is de oppositie tussen vrijheid en onderwerping. De Atheense democratie stond voor de vrije mens en een vrije vorm van regering tegenover de onderwerping aan de absolute heerschappij van de Perzische koning. Het tweede is het contrast tussen de rijkdom van de Perzen en het eenvoudige Griekse bestaan. Materiële luxe stond voor zwakheid, terwijl de rijkdom van de Griekse cultuur kon bloeien dankzij het doorzettingsvermogen en de hardheid van de Griek. Hellas was een landbouwgebied dat geen bijzondere rijkdom genoot. Daarom konden de dappere Grieken het met kleine aantallen veel beter houden tegen de halfzachte, verwijfde Perzen. Bij de Grieken heerste dus een geheel andere mentaliteit.

Volgens deze opvatting is de culturele rijkdom van Europa dus geworteld in de deugden van de Griekse man. Voor het ontwikkelen van deze deugden is opvoeding van het grootste belang. Isocrates heeft dan ook een invloedrijk vormingsprogramma ontwikkeld. Zijn uitgangspunt was dat het de cultuur is die de Griek maakt. De continuïteit van datgene wat we ‘Grieks’ noemen ligt in het doorgeven van die cultuur. In dat doorgeven moeten we drie aspecten onderscheiden. Het eerste is de inhoud van het vormingsprogramma, dat een goede kennis van het politieke systeem inhoudt; een gevoel voor eensgezindheid en gemeenschappelijkheid; en vertrouwen in de eigen cultuur plus de lichamelijke en geestelijke bereidheid om voor die cultuur in te staan. Ten tweede is van belang dat Isocrates de traditie als een dynamisch begrip opvat. Traditie is geen starre verzameling gewoontes die blindelings van generatie tot generatie worden doorgegeven. Voor het ontstaan van een traditie dient elke generatie zich het ontvangen erfgoed eigen te maken en zijn geldigheid te bevestigen. Dat is een gezamenlijk proces van assimileren en iets nieuws toevoegen. Ten derde heeft vorming alles te maken met het ontwikkelen van het oordeelsvermogen. Volgens Isocrates uit goed burgerschap zich in het politieke en religieuze leven, die de basis vormt voor moraliteit. Het vormingsprogramma van Isocrates geeft dan ook de inhoud en oorsprong van de zogenaamde Artes Liberales of vrije kunsten.

Bijna een uur is inmiddels verstreken, maar dat is aan de gezichten niet te merken. Men luistert aandachtig. Bons gaat nu over tot de praktijk. Hij waarschuwt over wat we niet moeten doen als we het over Europa hebben. Dat is het gedachteloos identificeren van de Europese cultuur met het begrip ‘Westers’, in de zin van Europa plus Amerika want dan zijn we weer terug bij Europa als haven van materiële welstand. Niemand is gebaat bij Coca-Colonisatie. Maar ook mogen we de Europese cultuur niet verwarren met modernisme in de zin van een cocktail met de volgende ingrediënten: natuurwet, Verlichting, industriële revolutie, Romantiek. Dat zou de nadruk te veel op het individualisme leggen en op het wetenschappelijke denken als enig criterium voor zekerheid.

Nee, zegt Bons, de elementaire pijlers van onze cultuur zijn twee. Enerzijds heb je de klassieke oudheid. Van de Grieken hebben we de filosofie, de retorica, de kunst (dat is, een appreciatie van de ingewikkeldheid van dingen) en de democratie gekregen. Aan de Romeinen hebben we het recht te danken en de Imperiumgedachte. Het Imperium, hoe negatief klinkend ook, het Romeinse Keizerrijk, was een manier om de vrijheden te verzekeren door de handhaving van orde en recht. Van de Romeinen hebben we ook inclusiviteit en openheid geërfd: dat is geen overname van een nieuwe cultuur, maar opname en interpretatie, waardoor de cultuur altijd een nieuwe wending krijgt. Ten tweede hebben we de Christelijke traditie. Die is ontstaan uit de Joodse traditie door vermenging met en interpretatie door de Grieks- en Romeinse cultuur. Dit leidt tot verdere onderwerpen die in deze cyclus aan bod zullen worden, zoals de Universiteit en de rol van Karel de Grote.

Na de lezing doet men aan cultuur in de vorm van bier en conversatie. Nadat Bons is vertrokken blijft men nog lang over de Europese cultuur en haar verschillende vertakkingen discussiëren. Kennelijk heeft de lezing alle luisteraars geboeid.

 

11/03/10: De Staat van Plato

De volgende sessie van de leesclub zal door Bart Fleuren worden verzorgd.

Hij zal boek VIII en IX uit de Politeia behandelen. In deze twee boeken legt Plato een verband tussen het verval van staatsvormen (aristocratie, timocratie, oligarchie, democratie, tirannie) en diverse menstypes. Plato betoogt dat de meest gelukkige en vrije mens degene is die koning is over zichzelf, terwijl de tirannieke mens het ongelukkigst en minst vrij is.

 

20/02/10: De idee Europa. Wortels, stam en vertakkingen van een cultuurideaal

Prof. dr J.A.E. Bons

Lezingencylus in Studentenhuis Leidenhoven
Roemer Visscherstraat 46, Amsterdam
Het programma ziet er als volgt uit:

 

 

 

 

Woensdag 24 februari: Het ontstaan van Europa als cultuurideaal.

Woensdag 24 maart: Bronnen van de klassieke traditie. “Great books” en hun herkomst.

Woensdag 19 mei: Karel de Grote en de Karolingische renaissance.

Woensdag 9 juni: De geboorte van de universiteit.

 

Na de zomer zullen we verder gaan met onder andere:

Byzantium en de Slavische traditie.

Stefan Zweig door Drs B. van Bommel

De identiteit van Europa en het ontstaan van de moderne wetenschap door Prof. dr A. Driessen

De twijfel over het Europese cultuurideaal door Prof. dr J.A.E. Bons

 

 

Als cultuurideaal, en daarvan afgeleide inspiratiebron voor de verheffing en veredeling van de Europese economische en politieke samenwerking, heeft de idee Europa zijn wortels in de Grieks-Romeinse Oudheid en in de Joods-Christelijke traditie.

De geschiedenis van Europa sinds de Oudheid vertoont een tendentie om de natuurlijke verbinding van Christendom en geografisch-politieke omstandigheden om te zetten in een verenigd Europa. De pogingen daartoe, vanaf het rijk van Karel de Grote en het Heilige Roomse Rijk, worden echter steeds gefrustreerd door religieuze verdeeldheid en nationalisme. Desondanks blijft de tendentie zich voortzetten, en worden vanaf Dante en zijn traktaat Over de monarchie pogingen gedaan om Europa in een ideaalconcept te vangen. Herhaaldelijk is de confrontatie met het Nabije Oosten, en vooral de Islam, hierbij een factor van belang.

Aan het eind van de twintigste eeuw doet Europa opnieuw een poging zijn identiteit te codificeren. Na twee wereldoorlogen en in een intellectueel klimaat van gebrek aan filosofisch en cultureel zelfvertrouwen is dat een heroïsche poging. Zijn wij oud en vermoeid? Of zullen wij opnieuw levenskracht putten uit onze diepe, eerbiedwaardige wortels?

 

19/02/10: De Staat van Plato

De volgende sessie van de leesclub zal door Prof. R.A. te Velde worden verzorgd.

Prof. te Velde is hoogleraar metafysica aan de UvA en is ook verbonden aan de Universiteit van Tilburg. Hij zal boek 7 uit de Politeia behandelen, over de allegorie van de grot. Deze allegorie is een samenvatting van de filosofie van Plato en is tevens het meest invloedrijke beeld uit de geschiedenis van de filosofie.

De leesclub zal op donderdag 11 februari om 19.30 plaats vinden. Mee-eten om 18.30 (stipt) is mogelijk, geef het dan graag even door.

 

27/12/09: Themaweekend in Conferentieoord Zonnewende

Vriendschap, Caritas en Christelijke cultuur

Themaweekend in Conferentieoord Zonnewende

Vrijdag 15 t/m zondag 17 januari 2010

 

 

Onze wereld wordt tegelijkertijd groter en kleiner. Aan de ene kant is er de globalisering, die ons in contact brengt met mensen, volkeren en culturen van de hele wereld. Aan de andere kant is er het individulisme, dat ons steeds meer isoleert in onze noden en wensen. In onsa deeel van de wereld geeft het consumeren en genieten maar een kort soelaas voor het onderliggende gevoel van aleen te zijn, onrust en gebrek aan tevredenheid.

 

De tijd lijkt rijp om de bron van het Christendom aan te boren en na te gaan welke mogelijke antwoorden gegeven worden op deze nijpende problemen.

Hoe krijgt de naastenliefde gestalte in vriendschap? Is vriendschap mogelijk tussen ongelijken? Hoe kunnen wij in deze multiculturele wereld en samenleving de ander met vriendschappelijkheid tegemoet treden? Hoe goed moeten we onszelf kennen om de vriend te kunnen zijn van een ander?

Op basis van enkele inleidingen, de bestudering van Aristoteles, Cicero, het Nieuwe Testament, en de encycliek Deus Caritas est wil het themaweekend de gelegenheid bieden om over deze belangrijke vragen na te denken.

Programma

Vrijdag 15 januari

19.00 Aankomst met koffie
20.00 Inleiding themaweekend door Prof. J. Bons

Zaterdag 16 januari

09.15 Ontbijt
10.00 Workshops
10.45 Koffie/theepauze
11.00 Discussie
12.45 Gelegenheid om H. Mis bij te wonen
13.30 Middageten
14.30 UNIV 2010. Uitleg door Daan van Schalkwijk en Paul Graas
16.00 Sport
18.00 Overweging over de Goede Week
18.30 Avondeten
19.15 Film
21.15 Borrel

Zondag 17 januari

09.15 Ontbijt
10.00 Lezing
11.00 Koffie/theepause
11.30 Discussie
12.00 Vrije tijd
12.45 Gelegenheid om H. Mis bij te wonen
13.30 Middageten
14.15 Presentatie door deelnemers
15.00 Vertrek

Plaats

Conferentieoord Zonnewende
Tilburgseweg 54
5066 BV  Moergestel
Tel. 013 5132630

Prijs

Studenten € 60
AIO's € 90
Beroeps € 120
Contant te voldoen of op ING Bank 28.43.544 ten name van Studiecentrum Lepelenburg, Utrecht

Contact

Amsterdam, Sebastian de Haro
Utrecht, Daan van Schalkwijk

 

12/10/2009: Introductieweekend 2009

Van vrijdagmiddag 16 tot en met zondagavond 18 oktober zal het jaarlijkse introductieweekend voor inwoners plaatsvinden. De voormalige hoofdstad van de Duitse Bondsrepubliek is tot reisdoel gekozen. Nadere berichten volgen.

 

 

 

Previous Next
Wie bevrijdt de psychologie uit de greep van de biologie? Wie bevrijdt de psychologie uit de greep van de biologie?   Voor een overzicht van de hele cyclus, klik hier. Verder Lezen
Geloof en wetenschap: Conflict of Combinatie? Geloof en wetenschap: Conflict of Combinatie? Conferentieoord Zonnewende, Moergestel, 28-30 oktober 2005 Dit themaweekend beoogt studenten en jonge beroeps de gelegenheid te geven na te denken over problemen op het grensvlak tussen wetenschap en geloof.   Verder Lezen
Het Wereldbeeld-lezing: Big History and the Future of Humanity Het Wereldbeeld-lezing: Big History and the Future of Humanity Lecture by Fred Spier, senior lecturer (UHD) at the University of Amsterdam and author of Big History and the Future of Humanity (Wiley-Blackwell, 2010). Fred Spier has done pioneering work in the field of big history. He teaches ... Verder Lezen
Het lichaam-ziel dualisme bij Plato Het lichaam-ziel dualisme bij Plato Prof. dr. Rudi te Velde (UvA) Er wordt vaak gesproken van het mind-body probleem. Het probleem is dan gelegen in de vraag naar hun eenheid: de mens is immers niet louter de optelsom van mind en body. Plato ziet echter goede red... Verder Lezen
Byzantium en de Slavische Traditie Byzantium en de Slavische Traditie Lezingencyclus “De idee Europa. Wortels, stam en vertakkingen van een cultuurideaal”:                                                                                                                 Dinsdag 14 juni, 19.10 uu door ... Verder Lezen
Black Hole Horizons: The Gravity of Paradigms Black Hole Horizons: The Gravity of Paradigms Lezing door Sebastian de Haro: Black Hole Horizons: The Gravity of Paradigms   Verder Lezen
Koffiegesprekken Christendom & Recht Koffiegesprekken Christendom & Recht   De rechtsstaat is niet uit de lucht komen vallen. Hij heeft een lange ontstaansgeschiedenis, waarin het Christendom een fundamentele rol heeft gespeeld. Verder Lezen
Europa Lezing Europa Lezing De identiteit van Europa en het ontstaan van de moderne wetenschap door Prof. dr A. Driessen Voor de presentatie: klik hier. De (natuur)wetenschap heeft de laatste eeuwen een grote vlucht genomen. De succesvolle toepassingen va... Verder Lezen
Leesclub gaat van Start Leesclub gaat van Start De Ethica van Aristoteles bevat de eerste systematische uiteenzetting over ethiek in de westerse wijsbegeerte en heeft in de ontwikkeling hiervan een grote invloed (gehad).             Verder Lezen
Bronnen van de klassieke traditie: Lezing Prof. dr Bons Bronnen van de klassieke traditie: Lezing Prof. dr Bons “Great Books” en hun herkomst Lezing door Prof. dr J.A.E. Bons in Studentenhuis Leidenhoven op 24 maart 2010. Dit was de tweede voordracht van de lezingencyclus: De idee Europa. Wortels, stam en vertakkingen van een cultuuri... Verder Lezen
De Regeneratieve Kracht van de Vriendschap: Lezing Eli Stok De Regeneratieve Kracht van de Vriendschap: Lezing Eli Stok Vriendschap in H. Augustinus en Wordsworth een lezing gegeven door Eli Stok aan de inwoners van studentenhuis Leidenhoven op 17 april 2010   Verder Lezen
Ideeën die het Nederland van nu bewegen Ideeën die het Nederland van nu bewegen Conferentieoord Zonnewende, Moergestel, 2-4 maart 2007 Een maatschappij wordt opgebouwd door verschillende individuen. Een complexe maatschappij, waarin een groot aantal individuen en instellingen hun plaats moeten vinden in onde... Verder Lezen